Het user interface model dient als basis voor het ontwikkelen van de user interface. Tijdens de fase ontwerp worden attributen, validaties en formattering toegevoegd aan de beschrijving van het user interface model. Daarnaast dient vooral het beschrijven van de validaties van velden en rijen de completering van het business class model. DoelTijdens het ontwerp worden meer en meer details - iteratief - toegevoegd aan het user interface model. Het betreft hier de attributen van de te tonen business- en factory classes, formattering van deze attributen en eventuele validaties van velden en rijen. Stappen- Vastleggen functionaliteit per formBeschouw de user interface diagrammen die bij het huidige increment horen. In een workshop, waarbij de gebruikervertegenwoordiger en de user interface ontwerper de belangrijkste deelnemers zijn, wordt nu per form de functionaliteit vastgelegd.
- Bepalen business classes op formGa na welke business classes als singletons en lists voor dienen te komen op het form. Bepaal welke attributen van de business classes worden getoond. In een eerste iteratie gebeurt dit meestal niet uitputtend, tenzij de informatie reeds voorhanden is. Tijdens het testen van de bruikbaarheid van de applicatie, aan het einde van de iteratie, komen vaak de definitieve attributen naar voren. In een tweede iteratie worden deze vervolgens (definitief) correct opgemaakt.Leg deze attributen vast in het user interface model. Indien de attributen nog niet voorkomen in het business class model worden ze ook daar toegevoegd.
- Aanvullen stappenplan use caseVoeg aan de stappen in het stappenplan van de use case deze attributen toe. Beschrijf de attributen bij de stap in het stappenplan waarin de objecten zichtbaar worden gemaakt.In het algemeen volgt de detaillering van attributen voor user interface objecten, als singletons en lists, pas na een eerste iteratie. Deze wordt veelal gebruikt om de user interface in grote lijnen neer te zetten.
- Vaststellen defaults voor attributenGa voor ieder attribuut na welke defaultwaarden er gelden. Hierbij zijn een aantal mogelijkheden. De defaultwaarde kan een vaste waarde zijn, zoals 0 of 'Y'. Vaak worden defaultwaarden bepaald door een eerder vastgestelde waarde voor het attribuut, bijvoorbeeld als dit reeds is ingevuld op een vorig scherm. Daarnaast kunnen defaultwaarden conditioneel gezet worden, aan de hand van een of meerdere criteria, vaak op grond van andere attributen.
- Vaststellen formatering van attributenGa voor ieder attribuut na welke formatering er geldt. Voor standaard type velden is dit vastgelegd in de technische applicatiearchitectuur. Wanneer een gebruiker een attribuut wijzigt in de applicatie, moet de formatering worden behouden. Dit levert meestal een validatie op.
- Vastleggen validatiesGa na welke validaties moeten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld bij wijziging van het attribuut. Het betreft hier veelal veld- of rijvalidaties, die aan de client worden uitgevoerd. De validaties worden uitgevoerd door de bijbehorende factory of business class. Voeg aan deze classes de methoden toe die de validatie uitvoeren.
RichtlijnenZorg er in elk geval voor dat iedere webpagina en scherm zijn voorzien van een titel, hoe de auteur te bereiken is en een versienummer heeft. Zorg ervoor dat een webpagina geen "dead end" is in de webapplicatie; dat wil zeggen dat zodra de gebruiker de webpagina bereikt heeft, er geen navigatie van de webpagina af meer mogelijk is. Meestal bevat de huisstijl voorgeschreven elementen voor bijvoorbeeld headers en footers, illustraties en in het gunstigste geval templates voor de verschillende typen webpagina's in de webapplicatie. Indien een dergelijke huisstijl ontbreekt is deze taak de laatste mogelijkheid om een dergelijke standaard af te dwingen of te ontwikkelen. Let op: indien voor getoonde attributen een bepaalde formattering geldt, zal deze formattering moeten worden gecontroleerd en afgedwongen bij wijziging van het attribuut door de gebruiker. Deze controles worden geïmplementeerd als validaties op de business- en factory classes. Veel applicaties bevatten voor een deel functionaliteit die ook in bestaande applicaties voorkomt. Als voorbereiding op de workshops is het zinvol om afdrukken van bestaande schermen of webapplicaties alvast uit te draaien. Dergelijke 'oude' forms zijn vaak een uitstekend startpunt in de workshops. Onderzoek hiervan of alle attributen ook op de nieuwe forms dienen voor te komen en of er nog attributen ontbreken. | |